Wedstrijdvaren

Bij ballonwedstrijden gaat het doorgaans niet om snelheid of de grootst afgelegde afstand, maar om precisie. De internationale wedstrijdregels kennen een veelheid aan opdrachten, waarbij het er om gaat om ofwel zo nauwkeurig mogelijk naar doelen te navigeren, ofwel om figuren en hoeken te varen boven het landschap. Aangezien een ballon geen aandrijving en geen roer heeft, is dat knap ingewikkeld: de piloot moet, wil hij ergens komen, de verschillen in windrichting op verschillende hoogten zo goed mogelijk zien te benutten. Soms zijn die verschillen aanzienlijk, en spreken wedstrijdballonvaarders van “veel sturing”. Maar vaak is er sprake van niet meer dan tien, twintig graden richtingsverschil en wordt het heel moeilijk om bij een doel te komen. Of de “sturing” is er wel, maar dan alleen in luchtlagen met een hoogteverschil van twee kilometer, zodat heel snel moet worden gestegen of gedaald om een andere richting te vinden.

Markers
Om te bepalen hoe dicht de piloten bij een doel hebben weten te komen, krijgen ze “markers” mee: verzwaarde, felgekleurde linten bestaande uit een strook nylon van 170 centimeter lang, 10 centimeter breed en met een zandzakje van 70 gram erin genaaid. Op zo’n marker staat het wedstrijdnummer van de piloot, en voor elke opdracht die tijdens een vaart moet worden uitgevoerd is er een andere kleur marker. Wanneer de piloot meent dat hij zo dicht als maar mogelijk is bij een doel heeft weten te komen, gooit hij de bij de opdracht behorende marker uit de mand. Die dwarrelt naar beneden, ploft ergens in een weiland, een wegberm of een bos en moet na afloop van de vaart weer worden teruggevonden. Een onpartijdige official, de zogenaamde “observer”, verricht dan enig terreinmeetwerk om tot op enkele meters nauwkeurig vast te stellen wat de positie van die neergevallen marker op de kaart is. Die positie wordt vervolgens uitgedrukt in cijfercoördinaten, volgens het coördinatensysteem dat ook militairen gebruiken. De gebruikte kaarten zijn dan ook grootschalige (1:50.000) topografische kaarten, met een rasterstelsel erop gedrukt: elk kaartvakje is 2 x 2 centimeter, wat op de schaal van de kaart precies éen vierkante kilometer is. Goed kunnen kaartlezen is vanzelfsprekend heel belangrijk voor zowel de piloten, hun grondbemanningen als de officials.

Tijdens een briefing die aan elke vaart vooraf gaat, krijgen de piloten van de wedstrijdleiding hun uit te voeren opdrachten (of “Tasks”), weersinformatie en aanvullende gegevens die voor de vaart van belang zijn. Bijvoorbeeld de maximaal toegestane vaarhoogte of de aanwezigheid van ‘gevoelige gebieden’ met kwetsbaar vee. Alle belangrijke informatie staat op een opdrachtformulier, het task sheet. Wie te laat is voor de briefing heeft pech: hij moet maar zien hoe hij zijn opdracht krijgt. Wel krijgt hij de weers- en veiligheidsinformatie. Bij elke briefing hoort een roll call, waarbij de wedstrijdleider de namen of wedstrijdnummers van alle deelnemers afroept en ieder met ‘Yes!’ of een andere kreet zijn aanwezigheid moet bevestigen. Bij slecht weer zwaaien sommigen met een paraplu of zwemband, om de wedstrijdleiding op weinig subtiele wijze duidelijk te maken dat een vaart er niet in zit!
Elke deelnemer heeft een vaste plek in de briefingruimte, voorzien van zijn of haar wedstrijdnummer. Vaak liggen daar de te gebruiken markers al gereed. Het commentaar is niet van de lucht als dat er veel zijn, want dan wordt het hard werken.

Observer
Elk ballonteam krijgt een observer toegewezen: een onpartijdige official die ofwel in de volgauto meerijdt, of meevaart in de ballon. Over wel of niet meevaren beslist overigens altijd de piloot, die vaak natuurlijk geen behoefte heeft aan een ‘pottenkijker’ in de mand, maar het soms tactisch verstandig vindt om de observer aan boord te hebben, bijvoorbeeld als een opdracht op de seconde moet worden getimed.

De observer noteert alles: tijd en plaats van opstijgen, dito van de landing, de posities van alle uitgeworpen markers, of hij ze wel of niet persoonlijk heeft zien vallen, overtredingen van de regels, enzovoorts. Om dat overzichtelijk te kunnen doen gebruikt hij een gestandaardiseerd rapportageformulier: het Observer Report Sheet. Verder moet een observer vanzelfsprekend uitstekend kunnen kaartlezen, goed op de hoogte zijn van de wedstrijdregels, redelijk de Engelse taal beheersen (want de regels zijn in het Engels, net als de meeste briefings) en geoefend zijn in de juiste methoden om de positie van een marker in het terrein te bepalen (eigenlijk een vereenvoudigde versie van landmeten). Tegenwoordig is het kunnen hanteren van een GPS (een satellietnavigatie-ontvanger) ook een voordeel. En natuurlijk moet een observer liefst verstand hebben van ballonvaren!

Na de vaart brengt het ballonteam de observer weer terug naar het wedstrijdcentrum, waar hij of zij met een andere official, de ‘debriefer’, het hele rapportageformulier minitieus doorloopt. Posities worden dan nogmaals op de wedstrijdkaart gezet en de coordinaten gechecked – soms zelfs op een grotere, meer gedetailleerde kaart of op een luchtkarteringsfoto. Zijn er overtredingen gepleegd, dan kent de wedstrijdleider strafpunten toe, die van de score van de piloot worden afgetrokken. Dat kan bijvoorbeeld bij het overschrijden van een tijds- of afstandslimiet, bij het maken van grondcontact (een twijgje raken bij het passeren van een boom is al foute boel, althans zolang de laatste marker nog niet is uitgeworpen), landen na zonsondergang of het schrik aanjagen van vee.

Uiteindelijk gaan alle gegevens de computer in, die dan de scores bepaalt volgens een ingewikkelde formule, op een schaal van nul tot 1000 (wie niet opstijgt krijgt nul, de beste score is 1000, de middelste score altijd 500, de rest wordt relatief bepaald en varieert daardoor per opdracht; scoren veel piloten vlak op het doel dan liggen de scores dicht bijeen; scoort er slechts een heel goed en de rest belabberd, dan is het verschil tussen de beste en de nummer 2 ook in punten veel groter).

Tasks
Klik hier voor een korte, engelstalige, uitleg over de diverse opdrachten.